ER WAS EENS, de groene Geluksbrenger. Hij lag comfertabel naar de lucht te kijken. Koptelefoonsnoer kwam aangebeld; ‘Hallo, zei hij met een stemmetje aan de andere kant van de lijn. ‘Heej, zei de groene Geluksbrenger. Koptelefoonsnoer bleef, voor zover dat ging, staan en hing na een tijdje op. ‘Wie had je aan de lijn? vroeg de groene Geluksbrenger uit beleefdheid. ‘Ach, niemand. bekende Koptelefoonsnoer, ‘Niemand hoor. De groene Geluksbrenger keek hem recht in de ogen. ‘Oke, zei hij na enige twijfeling.
Na een tijdje vroeg Koptelefoonsnoer niets. Nog wat later ook niet. Op een gegeven moment zei Koptelefoonsnoer aarzelend: ‘Ik heb je zoveel te vragen. Waarom hij vroeg: ‘Mag dat? ‘Natuurlijk, wou de groene Geluksbrenger antwoorden, maar Koptelefoonsnoer had totaal geen geduld en begon met vragen. ‘Nou kijk, begon hij, ‘Ik vroeg me af.. ‘Ja? ‘Waarom lag jij comfertabel, terwijl ik net een gesprek had over vervelende dingen? Er viel een pijnlijke stilte. De groene Geluksbrenger aarzelde en peinsde. Tenslotte antwoordde hij: ‘Ik verblijd de wereld. Hij klonk zelfverzekerd en informatief. Misschien was dat, omdat hij wist dat Koptelefoonsnoer loog, want hij had immers alleen met Niemand gepraat. Niemand praat nooit over vervelende dingen. ‘Maar dat is niet waar! Verontstelde Koptelefoonsnoer, die gedachten kon lezen. ‘Iedereen praat daar juist over! ‘Vervelende dingen zijn verpestend. antwoordde de groene Geluksbrenger wijs. Hij was niet één en al oor, aangezien hij zijn muziek zocht.
‘En bovendien, vervolgde Koptelefoonsnoer zijn verhaal, ‘Waarom is Geluksbrenger met een Hoofdletter en groene niet? De groene Geluksbrenger dacht na, zoals een uil. Hij verwachtte dan ook dat hij zijn hoofd helemaal zou kunnen draaien, maar dat viel behoorlijk tegen. ‘Omdat ik Geluk breng. Geluk is een goud woord. ‘Ja, knikte Koptelefoonsnoer instemmen, ‘En met glittertjes! De groene Geluksbrenger haalde zijn schouders op bij de bakker. ‘Ik weet het niet hoor, met dat geglinsel. Koptelefoonsnoer trok beledigd zijn neus op. ‘Wat doe je nóu?! vroeg de groene Geluksbrenger verschrikt. ‘Ach, niets. bekende Koptelefoonsnoer, ‘Niets hoor. ‘Jawel, confronteerde de groene Geluksbrenger, ‘Ik heb het zelf gezien. Je trok je neus op! Tiedie, tiedie, toedie, tÃdie. Tiedie, tiedie, toedie, PLING!
Een belmelodie schalde over het grasveld. ‘Momentje, verontschuldigde Koptelefoonsnoer zich. De groene Geluksbrenger zweeg en hield voor zich dat hij de melodie kende; Het was toch maar weer de intro van Tell me Baby van de Red hot chili peppers. Koptelefoonsnoer was diep verzonken in zijn gesprek met -hoogstwaarschijnlijk- Niemand. De groene Geluksbrenger staarde maar wat voor zich uit. Soms ving hij iets van het gesprek van Koptelefoonsnoer op, zoals de bovenste poffertjespan die toch wel wat efficient was. Hij begon zich vreselijk te vervelen. Met een doordringende blik keek de groene Geluksbrenger Koptelefoonsnoer aan, alsof hij wilde zeggen: ‘Ik verveel me dodelijk, hang eens op!’ Maar koptelefoonsnoer begreep geen touw van de hint en kwetterde rustig verder. Geiriteerd en zuchtend schuivelde de groene Geluksbrenger weg. ‘Ik ben weg, by the way. deelde hij nog mee. Koptelefoonsnoer verhief zijn hand, maar liet hem toen maar begaan. De groene Geluksbrenger beging.
Hij beging wegen en paden, heuvels en bergen, weiden en akkers en overal waar hij kwam werd iedereen plots ontzettend gelukkig. Hij maakte kennis [en kennis is macht] met trollen en kabouters, herten en ezels, hoeden en lampen, de Kaiser Chiefs en ACDC, pratende bomen, wanhopige blauwe verwarmingen, zigeuners en lopende vuurtjes. Op een dag had hij erg veel macht. Hij vond dat een zeer storende gedachte en besloot vastberaden om minder kennis te begaan. Daarvoor moest hij dingen vergeten. Hoe moest hij dát nou weer klaren?
In die tijd was het kerstmis, op z’n Amerikaans {jingle bells enzo}, want dat wou hij. Hij had er alleen geen rekening mee gehouden dat hij zich in Noorwegen bevond, wat als gevolg had dat Nisser zijn hek open lieten staan zodat schapen, eventuele koeien en geiten ontsnapten. De Nisser zijn namelijk een volk, dat normaal gesproken helpt op de boerderij, maar bij kerstmis willen ze dat er eten buiten wordt gezet voor hen. En dáár had de groene Geluksbrenger natuurlijk geen rekening mee gehouden. Hij kreeg klokslags een vreselijke hekel aan de Nisser. Hij plofte hopeloos op een steen en wachtte onbewust op hulp.
Een kleine depressiefe Nisse zócht er zelfs naar, naar hulp. Erg bewust. En het toeval sloeg toe, want de kleine Nisse zocht ook naar hulp op de steen waar de groene Geluksbrenger onbewust op hulp wachtte. En dat liep natuurlijk in de soep. En stiekem kreeg de groene Geluksbrenger een beetje medelijden met de Nisse, die zo hulpeloos in kabouterkleertjes ronddwaalde. Hij nam hem op zijn schoot, bood steun en stelde hem gerust. Toen de kleine Nisse weer gerust was gesteld, vroeg de groene Geluksbrenger hem hoe hij dan wel niet heette, op zijn minst. ‘Kalle. antwoordde de Nisse met een stiekeme, of nee, ontdeugende lach op zijn trollerig gezichtje. ‘En dat daar is Osse, en die ene met die lange staart is Pelle, en die met die gekke neus en moderne marchet-knopen is Lasse, en dát daar, met die knokkel op zijn hand is Okke. En dat zijn Nagge en Lukke. De groene Geluksbrenger keek toe hoe er allemaal Nisser verschenen. ‘Oh, en dÃe daar, ging de zogenaamde Kalle verder, ‘dat zijn Fokke en Sukke. En dat is Pied.
‘Piet? vroeg de groene Geluksbrenger met een frons in zijn voorhoofd terwijl zijn gedachten van twee vage mannetjes naar een zwarte knaap met een veer op zijn hoed gingen. ‘Nee, zei Kalle, ‘niet Piet, Pied! Met een D op het eind. De groene Geluksbrenger gaf Pied aarzelend een hand en liet zijn ogen glijden over Pied’s skinny jeans, gestreept shirt wat onder zijn grijze Dickies trui uit kwam, zijn grijze converses, groene ogen, bruine halflange haar en zijn skateboard vol Vans-stickers. ‘Apart, ben jij. zei de groene Geluksbrenger spottend met een minachtend lachje. ‘Ik vind jou geen goede Nisse, jij bent erg stoer namelijk. Heb je dat verdorie goed begrepen?! zei hij een beetje boos. ‘Maar wel mooie gitaar, voegde de groene Geluksbrenger er aan toe.
Toen vluchtte hij weg, ver weg. Tot hij in de verte was. En toen wilde hij nóg verder. Hij sliep onder de sterren, at wolken, droomde van opa’s en was heel erg weg. Op een dag kon hij niet meer verder. Hij besloot kluizenaar te worden. Dat leek hem wel wat. Zo geleken, zo gedaan. Hij werd kluizenaar met een lange grijze baard. Hij leefde met, plukte en leerde van de dag. Soms kwamen er personen langs wandelen. Dan vroegen ze hem de weg. Hij antwoordde altijd: ‘De weg is de weg van het leven en daarin mogen we niets verwachten, want teleurstelling is haat. Haat is slecht. Slecht is een tekortkoming van goed. Goed, goed voor de medemens, de dieren en de natuur. Goed voor het leven en het hiernamaals. Goed met een d, net als Pied. Geniet is echter weer met een T van Tirza, en doe dat vooral in de levensweg.
Vervolgens liepen de personen weer door, want ze vonden hem op een Griekse sfynx lijken en wilden enkel weten hoe ze moesten, rechts of links, op dÃe fiets. Maar daar trok de groene Geluksbrenger zich niets van aan, en hij vond dat de rest van de wereld dat ook moest doen. ‘Dag, en veel Geluk nog veder. zei hij dan. En dát hadden ze, Geluk. Geluk, met een Hoofdletter. Goud en eventueel glitterend.
[harde return]
Het leven van een kluizenaar is niet niets. Mensen die zeggen het eentonig is, hebben het mis en zijn abuis. Van elke dag, leerde de groene Geluksbrenger meer dan wie dan ook. Op een dag was hij moe van het leren. Een paar eentonige dagen later stootte hij tegen iets aan. Hij schrok zich een hoedje. Hij voelde dat hij iets heel speciaals en bijzonders had gevonden, want hij voelde zich heel anders dan normaal. Het kon ook door het hoedje komen wat hij zich was geschrokken. Maar, want hij was een eigenwijze kluizenaar, hij begon verder te graven. En hij vond. Hij vond iets, met alle kleuren, alle vormen, alle gevoelens en alle gebeurtennissen in één: Muziek. Wat hij zolang kwijt was geweest. De groene Geluksbrenger had tranen in zijn ogen van Geluk.
Die nacht sliep hij heel fijn. Maar niet lang, want na een tijdje werd er gebeld. ‘H hallo..? klonk een oude, verdorde maar bekende stem. ‘KOPTELEFOONSNOER! zong de groene Geluksbrenger verrukt. ‘Wat ben ik blij je te horen! Van de andere kant van de lijn klonk ontroerend gesnik. ‘Ik jou ook, zei Koptelefoonsnoer. Ze zwegen en lachten binnensbuiks. ‘Wat heb jij uitgespookt, al die jaren? vroeg Koptelefoonsnoer tenslotte. ‘Ach man, je had me moeten zien! Ik ben tegenwoordig ervaren kluizenaar en heb redelijk veel geleerd. Ik heb mijn muziek terug, Pied en nog veel meer andere Nisser ontmoet, weg geweest en begaan over wegen en paden, heuvels en bergen, weiden en akkers!
Koptelefoonsnoer was er even stil van. Hij probeerde het zich voor te stellen. ‘En jij? Koptelefoonsnoer aarzelde. ‘Ik… begon hij, ‘Ik ben verloofd met Niemand en ik heb alle vervelende dingen de wereld uit gepraat. ‘Maar dat is geweldig nieuws, allebei! Ik ben vreselijk trots op je! Koptelefoonsnoer antwoordde met enige verbazing in zijn stem; ‘Echt waar? ‘Ja! ging de groene Geluksbrenger anthousiast verder, ‘Maar dat was ik al vanaf het moment dat ik comfertabel naar de lucht lag te kijken en daarvoor, hoor. Koptelefoonsnoer liet de telefoon even zakken naar zijn borst en keeke even afwezig naar de lucht met tranen in zijn ogen. Voor het eerst in zijn telefonische leven voelde hij zich gewaardeerd. Toen vloog er een roze olifant voorbij – olifant? Verward knipperde Koptelefoonsnoer met zijn ogen.
‘Hallo, Koptelefoonsnoer, ben je daar nog? ‘Oh, ja sorry’, antwoordde Koptelefoonsnoer lachend, huilend en fluisterend. Aan de andere kant van de lijn klonk gegniffel. ‘Blub’ verontstelde de groene Geluksbrenger moeizaam. Koptelefoonsnoer klinkte instemmend, alsof hij wou zeggen dat hij het wel begreep, maar dat zag de groene Geluksbrenger natuurlijk niet door de telefoon heen.
‘Koptelefoonsnoer?’ vroeg hij, om te checken of Koptelefoonsnoer er nog was én als aankondiging dat hij iets ging zeggen. ‘Ja?’ antwoordde Koptelefoonsnoer om te laten merken dat hij er nog was én dat de groene Geluksbrenger kon zeggen wat hij wilde zeggen; zijn hart uitladen. Want soms moet dat even, net als bij vrachtwagens. Maar gelukkig haalde de groene Geluksbrenger niet alles uit zijn hart. ‘Jij bent mijn aller -aller beste vriend, Koptelefoonsnoer, ik hou echt van je’.
En ‘echt waar’ voegde hij er nog aan toe. Koptelefoonsnoer antwoordde dat hij ook echt van de groene Geluksbrenger hield en ze kletsten nog wat door over postzegelverzamelaars en verscheidene soorten soep. Een paar dagen later kwam Pied langs en vertelde de groene Geluksbrenger dat hij, Pied, een 2e generatie-allochtoon uit Spanje was en dat hij eigenlijk Pedro heette. Toen bekende de groene Geluksbrenger dat hij, de groene Geluksbrenger, eigenlijk een meisje was maar dat ze dat veel minder leuk vond klinken; ”de groene Geluksbrengster”. Pied grijnsde en ze moesten vervolgens zo hard lachen om Pieds’ grijns dat Pied bijna uit zijn skinny jeans knapte en ontplofte van blijheid.
Dus kocht hij op de markt een gewone baggy broek en nieuwe Vans omdat zijn Converses zo afgesleten waren door de lange reis die hij ooit had gemaakt. Zij, de groene Geluksbrengster en hij, Pied, werden natuurlijk fucking verliefd op elkaar en zij gaven een groot feest en iedereen was ongelofelijk gelukkig en Koptelefoonsnoer en Niemand die eigenlijk Josken heette waren er ook en er was een groot vuur en lekker eten uit de hele wereld en er treedden allemaal rockbandjes zoals the Kooks op en iedereen feestte en de maan was heel groot en rond en oranje en er waren ook aliens en Zwitzerlandse slippers en Ajax was er en Pluk-de-daggers en er trouwde overigens ook iemand in het oranje en iedereen geloofde is het leven en in gebloemde gitaren en chocolade en iedereen was verschillend en er was zelfs een hele Nisser-familie en een paar norse forse kappers van emohaar maar ze hadden het allemaal fantastisch fijn samen en er was een eendere boom en,
ZE LEEFDEN NOG LANG EN ERG GELUKKIG.
Door Tirza Balk.
Ps: Het is de groene Geluksbreng(st)er overigens niet gelukt om minder kennis te begaan, maar dat geeft niet uit. Dag, en veel goud groen glinsterend Geluk nog verder.